Opinie | Gemiddelden maken geen betere bestuurders
Er is al jaren veel over geschreven en gesproken: het gemiddelde slagingspercentage en het gemiddelde aantal lesuren. Twee cijfers die inmiddels een bijna mythische status hebben gekregen. Ze worden gezien als maatstaf voor kwaliteit, als bewijs van goed opleiden. Maar laten we eerlijk zijn: dat zijn ze niet. Het zijn gemiddelden, geen waarheden.
Het openbaar maken van slagingspercentages is ooit breed op de kaart gezet door het consumentenprogramma Kassa. De intentie was op zichzelf logisch en zelfs nobel: consumenten beschermen tegen slecht presterende rijscholen. De zogeheten “cowboys”. Transparantie zou de markt schoner maken. Maar de vraag die zelden wordt gesteld is: heeft het dat ook gedaan?
Een slagingspercentage is niets meer dan een optelsom van examens, gedeeld door een aantal pogingen. Het zegt niet hoe iemand slaagt. Niet waarom iemand zakt. En het maakt geen enkel onderscheid tussen iemand die in één keer slaagt en iemand die daar twee of drie examens voor nodig heeft. Alles verdwijnt in één getal, dat vervolgens wordt gepresenteerd als simpel, objectief en vergelijkbaar.
Maar rijopleiding is niet simpel. En mensen zijn niet vergelijkbaar.
De onderliggende gedachte was dat slechte rijscholen vanzelf zichtbaar zouden worden. Maar dan moeten we eerst durven benoemen wat een “cowboy” eigenlijk is. En daar begint het probleem. Want harde feiten zijn er niet. Het begrip cowboy is een containerbegrip, gevuld met aannames en onderbuikgevoelens. We koppelen het aan uitstraling, aan de staat van de lesauto, aan lage lesprijzen, aan snelle methodes, aan twijfel over didactische vaardigheden of bedrijfsvoering. Soms terecht, soms niet. Maar objectief? Nee.
Wat we hebben gedaan, is een complex vak reduceren tot een cijfer, in de hoop dat dat het onderscheid zou maken. In de praktijk heeft het vooral geleid tot cijferdenken. Strategisch examen plannen. Selectief aanmelden. Het managen van percentages in plaats van het begeleiden van mensen.
En ondertussen staat er iemand naast ons in de auto. Een leerling. Geen gemiddelde, maar een mens. Iemand die leert met vallen en opstaan. Die soms faalangst heeft, of moeite met kijken, plannen, of vertrouwen. Iemand voor wie leren geen rechte lijn is, maar een rommelig proces met terugval en herhaling.
Voor die leerling is dat gemiddelde geen neutraal getal. Het wordt een maatlat.
Ik loop achter.
Ik doe het slechter dan normaal.
Het zal wel aan mij liggen.
En daar gaat het mis. Rijopleiding is geen wedstrijd tegen een landelijk gemiddelde. Het is een persoonlijk leerproces. Dat vraagt tijd, uitleg, rust en soms extra herhaling. Dat is geen zwakte. Dat is hoe leren werkt.
Dan is er nog het andere heilige getal: het gemiddelde aantal lesuren.
41 uur.
Alsof dat iets verklaart.
Hoe komen we daarbij? Door enquêtes. Door zelfrapportage. Door globale tellingen. Maar dat wordt vervolgens gepresenteerd alsof het een norm is. Alsof instructeurs die daarboven zitten hun werk niet goed doen. Dat is niet alleen onjuist, het is ondermijnend voor het vak.
Elke keer dat een instructeur dieper wil gaan.
Elke keer dat hij extra uitleg geeft.
Elke keer dat hij zijn tempo aanpast aan de leerling.
Botst hij op hetzelfde systeemdenken.
Want het is een verdienmodel geworden. Slagingspercentages. Gemiddelde lesuren. Lage prijzen. En het nostalgische geroep dat “vroeger alles beter was”. Heb je een leerling die meer dan 41 uur nodig heeft, dan wordt er scheef gekeken. 60 uur? “Zo, mag die wel rijden?”
Maar valt iemand binnen het handige klasje, dan is alles goed. Dan wordt er gekoketteerd met cijfers. In één keer geslaagd — want dát zegt alles. Toch?
Er is zo een vertekend beeld ontstaan van wat rijopleiding is. En zoals altijd zijn het de goede professionals die lijden onder een verkeerd frame.
En dan de vraag: hoe geven we de branche weer glans, status en vertrouwen?
Eerlijk? Ik weet het niet.
Echt niet.
Maar één ding weet ik wel: zolang we blijven doen alsof gemiddelden de waarheid zijn, blijven we zowel instructeurs als leerlingen tekortdoen. Goede rijopleiding laat zich niet vangen in een percentage. En al helemaal niet in een getal zonder context.
Laten we stoppen met doen alsof cijfers moreel superieur zijn aan vakmanschap. Een hoog slagingspercentage zegt niets over wat er onderweg is opgeofferd. Een laag percentage zegt niets over zorgvuldigheid, diepgang of verantwoordelijkheid. Het gemiddelde aantal lesuren is geen norm, geen richtlijn en al helemaal geen oordeel.
Zolang we blijven rekenen in plaats van opleiden, creëren we geen betere bestuurders maar betere spreadsheets. Dan belonen we snelheid boven begrip, marketing boven didactiek en beeldvorming boven werkelijkheid. Dat is geen vooruitgang, dat is verschraling.
Rijopleiding is geen product dat je optimaliseert. Het is een proces dat je begeleidt.
Wie dat vergeet, kan prachtige cijfers laten zien — maar levert geen betere chauffeurs af.
En dát is uiteindelijk de enige uitkomst die telt.
.jpg)