Recent heeft het CBR een nieuwe passage toegevoegd aan het vademecum, met als titel: “Maatwerk voor de kandidaat: professionele doorverwijzing.” De boodschap lijkt duidelijk: wees als rijschool eerlijk genoeg om een leerling door te verwijzen als je zelf niet kunt voorzien in diens specifieke behoefte. Bijvoorbeeld bij een leerling met een leerstoornis, fysieke beperking of iemand die beter tot zijn recht komt in een automaat.
Op zich valt daar weinig op af te dingen. Het belang van de leerling moet voorop staan. Maar de manier waarop het verwoord is, roept bij mij toch vragen op. Want eerlijk gezegd: het voelt alsof er een suggestie in zit. Een zweem van: “Misschien zijn jullie niet allemaal professioneel genoeg.”
En dát schuurt.
Want laat één ding duidelijk zijn: zonder geduld en maatwerk kun je in dit vak niks beginnen. We werken dagelijks met jonge mensen (en soms ook ouderen) die allemaal anders leren, anders reageren, en op hun eigen manier omgaan met angst, spanning, druk en motivatie. Daar heb je geen draaiboek voor. Daar heb je mensenkennis voor nodig – en geduld, veel geduld.
Sommige leerlingen hebben moeite met schakelen. Betekent dat meteen dat je moet adviseren om automaat te rijden? Nee. Dat vraagt begeleiding, aandacht, tijd. Maar ik zie het ook gebeuren: na twee lessen wordt er soms al een stempel gedrukt. Is dat pedagogisch verantwoord, of speelt er dan iets anders mee? Tijd? Geld? Commercieel belang? Dat soort vragen moeten we wél durven stellen. Niet alleen aan elkaar, maar ook aan onszelf.
Tegelijkertijd: leerlingen met een fysieke beperking verdienen inderdaad gespecialiseerde begeleiding – zoals handgas, aangepaste stoelen, enzovoort. En ja, daar zijn speciale rijscholen voor. Maar laten we alsjeblieft niet doen alsof dit een nieuw inzicht is. Veel instructeurs verwijzen al jarenlang door als de situatie daarom vraagt. Niet uit zwakte, maar uit zorg en vakmanschap.
Wat mij vooral stoort is de impliciete boodschap dat we onszelf moeten bewijzen als ‘professioneel’. Alsof examenresultaten of de snelheid van opleiden de maatstaf zijn. Maar rijinstructie is géén fabriek. Het leerproces is grillig, emotioneel en menselijk. Geen leerling is gemiddeld. Dus waarom blijven we dan steeds praten over gemiddelden?
En wat te denken van sociale druk? Leerlingen die moeten lessen “van hun ouders”. Meisjes die onzeker zijn en onder druk staan. Jongens die zich anders voordoen dan ze zijn. Daar is geen “protocol” voor. Daar heb je gevoel voor nodig. En begeleiding, zonder prestatiedruk.
We moeten dus waken voor een versmalling van het begrip professionaliteit. Want: is iemand professioneel als hij binnen 35 lessen klaarstoomt voor het examen? Of is iemand professioneel die 55 lessen nodig heeft om een fragiele leerling zelfvertrouwen en verkeersinzicht te geven?
Misschien zit de werkelijke professionaliteit wel juist in dat laatste. In het onzichtbare werk dat niet in cijfers of gemiddelden past.